Nieuws archief
Rapport brede heroverwegingen over Gemeentefonds
08-04-2010
Op 1 april 2010 zijn de rapporten van de 20 ambtelijke rijkscommissies verschenen. Het thema 'openbaar bestuur' bevat informatie over de financiële verhouding tussen rijksoverheid en gemeenten.
In genoemd rapport is opgenomen dat de bekostiging van mede-overheden dient aan te sluiten bij de taak- en verantwoordelijkheidsverdeling tussen bestuurslagen. Daarnaast moet de financiële verhouding medeoverheden prikkelen tot een effectieve en doelmatige inzet van publieke middelen. Een juiste vormgeving van de financiële verhouding kan de principes van het georganiseerd vertrouwen en de toepassing van het subsidiariteitsbeginsel versterken. Dit betreft ook een adequate toekenning van belastinggebieden aan decentrale overheden, terughoudendheid van de rijksoverheid bij het toekennen van gebonden gelden en een restrictieve invulling van toezicht.
De commissie is van oordeel dat het plaatselijk belastinggebied moet worden vergroot. Dat versterkt de democratische afweging op lokaal niveau als de geheven belasting herkenbaar en voelbaar is en door iedere burger en bedrijf moet worden opgebracht. Het plaatselijk belastinggebied moet een stevige bufferfunctie vervullen, zeker ingeval er steeds meer taken van rijksoverheid naar gemeenten worden gedecentraliseerd. In welke mate het plaatselijke belastinggebied moet worden vergroot geeft de commissie niet aan.
De commissie is tevens van oordeel dat specifieke uitkeringen sterk moeten worden verminderd. Ze leveren teveel regels en toezicht op. Het kabinet Balkenende III heeft getracht het aantal specifieke uitkeringen te verminderen door het invoeren van de zgn. decentralisatie-uitkering via het Gemeentefonds. Deze worden dan omgeven door aanvraagprocedures, convenanten en verplichte co-financiering. Dit beperkt de bestedingsvrijheid van gemeenten. Daarom wordt voorgesteld een globale rijkssturing in te voeren waardoor regels vervallen. Ook kan worden overwogen de decentralisatie-uitkeringen helemaal te laten vervallen.
In de financiële verhouding wordt een situatie nagestreefd waarin iedere gemeente een gelijkwaardig voorzieningenniveau kan realiseren bij een gelijke lastendruk. Dit streven wordt onder andere belemmerd door onderlinge verschillen in de omvang en de grond van de overige eigen middelen (rente, dividend, opbrengst grondbedrijf ed). In de verdeelmethodiek wordt rekening gehouden met 5,4% aan OEM. In werkelijkheid blijkt deze gemiddeld 9%. Toch zijn er ook gemeenten met 30% OEM. Dat stelt hen in staat meer geld uit te geven dan bij de verdeelmethodiek van het Gemeentefonds wordt aangenomen. Voor OZB en OEM samen praten we over € 1,5 miljard. Dit blijkt uit het Periodiek OnderhoudsRapport. De commissie vindt het van belang dat deze opbrengsten worden verevend, zoals dat ook bij het Provinciefonds zal gebeuren. Verevenen geschiedt door het opnemen van een maatstaf in de verdeelmethodiek. Verevenen is dus wat anders dan het toepassen van een generieke korting.
Als alternatief voor de rekenmethode van het POR is een cijfermatige benchmark uitgevoerd, waarbij de goedkoopste 217 gemeenten (= 50%) in hun totale uitgaven als maat zijn genomen. Volgens die laagste kostenmethode kan het Gemeentefonds met € 1,7 miljard verlaagd worden. Dat kan fase gewijs geschieden met jaarlijks oplopend 25% vanaf 2012. Ofwel:
2012 425 mln
2013 850 mln
2014 1.275 mln
2015 1.700 mln
Bovengenoemde methode is overigens nogal soepel voor gemeenten. Een andere methode is dat wordt gekeken naar de goedkoopste gemeenten per cluster uit het gemeentefonds. Reden van het nu nog toepassen van de soepele methode is het ontbreken van een taakanalyse voor gemeenten, waardoor het nog niet mogelijk is om hardere conclusies te trekken uit een benchmark met strengere parameters. Die taakanalyse wordt nader onderzocht. De uitkomsten daarvan worden op zijn vroegst eind 2010 verwacht. In de tussentijd heeft de commissie vorenstaande bedragen al als volumekorting ingeboekt, maar die kunnen dus nog hoger worden.
Als er sprake is van een volumekorting van deze omvang, namelijk ± 10% van het Gemeentefonds dan is het steeds belangrijker dat de verdeelmethodiek zodanig verfijnd wordt dat het resterende geld over de gemeenten wordt verdeeld dat ze het beloop van hun uitgaven zoveel mogelijk volgen. Om die reden zullen 7 (van de 14) clusters van het Gemeentefonds worden herijkt in de jaren 2010 en 2011.
De volumeontwikkeling van het Gemeentefonds is nu gekoppeld aan die van de netto-gecorrigeerde rijksuitgaven, ook wel de normeringsmethodiek genoemd. Deze werkt volgens het principe 'samen de trap op, en samen de trap af'. In de vakpers is tot nu aangehouden dat ongeveer 50% van de rijksbezuinigingen neerslaan op het gemeentefonds. Uit de voorstellen van de 20 rijkscommissies leiden uw PAUW beheerders af dat dit percentage waarschijnlijk niet wordt gehaald. In alle omstandigheden zal er wel een cumulatie plaatsvinden tussen de volumekorting van 1,7 miljard met de korting wegens 'samen de trap af'. De commissie vindt het daarom van belang de normering de komende periode te bezien in samenhang met die volumekorting. Anders gezegd: de normeringsmethodiek zal dan worden aangepast zodanig dat meer rekening wordt gehouden met een inhoudelijk onderbouwd niveau.
De commissie geeft nog oplossingsrichtingen aan waar gemeenten op kunnen bezuinigen. Dat is door ondermeer arbeidsproductiviteitsstijging van de ambtelijke dienst, efficiëncyverhogingen door samenwerkingsverbanden, shared service centra en dergelijke. Daarnaast is een herbezinning op kerntaken van gemeenten nodig en worden ze voor de uitdaging gesteld de kerntaken soberder en doelmatiger uit te voeren.
De beheerders van PAUW